Skip to Content

Als het over kwaliteit in dyslexiezorg gaat

Veelgestelde vragen

Leidraad 'Van onderwijs naar zorg'

  • Wat houdt de leidraad in?

    De leidraad is een stappenplan voor scholen om lees- en spellingproblemen bij leerlingen te signaleren, te begeleiden en zo nodig door te verwijzen naar de zorg. De stappen ondersteunen scholen om te kunnen differentiëren naar kinderen met lees- en spellingsproblemen of kinderen (met vermoedelijk) ernstige enkelvoudige dyslexie. Daarvoor zijn in ieder geval drie hoofdmeetmomenten nodig. De toetsgegevens die dat oplevert, stelt scholen in staat op maat ondersteuning bij het leesonderwijs (in zwaarte en intensiteit) te kunnen bieden zodat leerlingen zo snel mogelijk de juiste hulp krijgen.

  • Wat verandert er door de leidraad in het schooldossier en/of de aanmelding?

    In principe niets. In de onderwijspraktijk is het toetsen op drie hoofdmeetmomenten (vaak) al gebruikelijk. De opbouw en de inhoud van het schooldossier evenals de werkzaamheden voor scholen zal niet wezenlijk veranderen. Het biedt wel meer ondersteuning bij het gericht(er) in kaart brengen van zorgbehoeften van leerlingen en het daarbij passende zorgniveau (1 t/m 3) door de school.
    Ook voor het aanmeldtraject van scholen geldt dat er in principe niets verandert. De leidraad biedt scholen wel een handvat om in die gevallen waarbij dat nodig is eerder dan na drie hoofdmeetmomenten al door te verwijzen naar de zorg. De leidraad voorziet daarin expliciet door het benadrukken van het belang van differentiatie naar leerlinggroepen om tijdig de passende vorm van zorg te kunnen bieden: zowel licht in het onderwijs als intensiever in de zorg.

  • Wat is de status van de leidraad?

    De leidraad geeft scholen handvatten voor signaleren van lees- en spellingsproblemen bij leerlingen, begeleiding en het monitoren van het effect, en zo nodig het tijdig doorverwijzen naar de zorg. Deze handvatten zijn gebaseerd op de taken en verantwoordelijkheden van scholen die zijn uitgewerkt in  de onderwijsprotocollen ‘Leesproblemen en Dyslexie'. In die zin kan de leidraad gezien worden als ‘veldnorm’ voor het primair onderwijs.
    Het Masterplan Dyslexie en het NKD willen gezamenlijk scholen en zorgaanbieders op de hoogte stellen van de leidraad en hen ook aansporen om naar de leidraad te handelen.

  • Waarop is de leidraad gebaseerd?

    De leidraad is de uitwerking van een verantwoorde voorbereiding van de voorzetting van de dyslexieketen van het onderwijs naar de zorg. De taken en verantwoordelijkheden die daarbij gelden voor scholen en zorgaanbieders zijn, in overeenstemming met de onderwijsprotocollen ‘Leesproblemen en Dyslexie’ respectievelijk het zorgprotocol ‘Dyslexie Diagnostiek & Behandeling 2.0’, in de leidraad opgenomen.

  • Waarom is er een leidraad?

    In de praktijk bestaat onduidelijkheid over het aantal meetmomenten dat in een schooldossier moet worden verantwoord én op welke momenten die metingen in het schooljaar moeten plaatsvinden voor (eventuele) doorverwijzing van leerlingen met (een vermoeden van) ernstige enkelvoudige dyslexie (EED) naar vergoede zorg.
    De leidraad geeft helderheid over het verantwoord omgaan met meetmomenten door scholen én bevordert het eenduidig inzetten van meetmomenten in het onderwijs. Het gebruik van de leidraad helpt scholen om beter zicht te krijgen op lees- en spellingsproblematiek van hun leerlingen en het effectief begeleiden daarvan. De kwaliteit van schooldossiers zal toenemen, het aantal onterechte doorverwijzen zal afnemen, en de zorgaanbieder kan beter en sneller een besluit over toelating nemen.

  • Wat is de achtergrond van de leidraad ‘Van onderwijs naar zorg’?

    De leidraad biedt onderwijs en zorgaanbieders informatie over het te volgen toetsings- en ondersteuningskader bij signaleren van lees- en spellingsproblemen. Tevens biedt zij een stappenplan indien effecten van interventies onvoldoende zijn of uitblijven en een doorverwijzing naar vergoede zorg geïndiceerd is. Onderwijs en zorg kennen een complementaire verantwoordelijkheid in het bieden van passende ondersteuning van leerlingen met lees- en spellingproblemen en dyslexie, en adequate doorverwijzing naar dyslexiezorg indien nodig. Dat veronderstelt een ‘gestroomlijnde’ toeleiding van onderwijs naar zorg. Deze stroomlijning moet er toe bijdragen dat er niet meer kinderen worden aangemeld, dan die vanwege de ernst en hardnekkigheid van de lees- en spellingsproblemen daarvoor in aanmerking komen.

  • Wat is de verantwoordelijkheid en taak van scholen in de leidraad?

    Scholen zijn verantwoordelijk voor hun lees- en spellingsonderwijs, en hebben de taak om conform de onderwijsprotocollen (individuele) begeleiding te bieden aan kinderen bij wie het lezen niet naar verwachting op gang komt. Als leerlingen ondanks extra begeleiding toch een te laag leesniveau blijven houden door hardnekkige lees- en spellingsproblemen, kunnen scholen doorverwijzen naar de zorg. Deze achterstand en hardnekkigheid moeten adequaat worden onderbouwd in het schooldossier. Scholen zijn immers verantwoordelijk voor goede zorg en ondersteuning én het evalueren van de vooruitgang in lezen en spellen.

  • Wat betekent de leidraad voor zorgaanbieders?

    De leidraad is in beginsel ondersteunend voor het handelen van scholen. Zorgaanbieders kunnen het gebruik van de leidraad door scholen niet afdwingen. Zij kunnen wel scholen ondersteunen en stimuleren om volgens de leidraad te werken.

  • Wat houdt complementaire verantwoordelijkheid in voor aanbieders?

    De school is verantwoordelijk voor het onderbouwen van het vermoeden van ernstige enkelvoudige dyslexie in het schooldossier, de zorgaanbieder voor de beoordeling ervan in het kader van de toelating tot de zorg, voor het vaststellen van ernstige enkelvoudige dyslexie, én het verlenen van kwalitatief hoogwaardige zorg. Voor de toelating moeten aanbieders de informatie over de toetsgegevens op de drie meetmomenten en de kwaliteit van de geboden extra individuele begeleiding, in het schooldossier beoordelen.

  • Waarom zijn er in principe drie hoofdmeetmomenten?

    Er zijn er voor het onderbouwen van een vermoeden van ernstige enkelvoudige dyslexie twee effectieve interventieperiodes conform de onderwijsprotocollen door school nodig. Een indicatie voor een eerste interventieperiode is een E-scores bij de eerste hoofdmeting. Een periode van extra ondersteuning veronderstelt meting van het effect daarvan. Vanwege twee ondersteuningstrajecten ook twee effectmetingen. Samen drie metingen. De sterkste zeggingskracht over de ernst van de achterstand en de hardnekkigheid van de problematiek gaat uit van de scores op hoofdmetingen omdat voor die scores een normering bestaat. Door het hanteren van hoofdmetingen wordt de betrouwbaarheid ten aanzien van de behaalde toetsresultaten vergroot, omdat deze afgezet worden tegen een valide normpopulatie. Idealiter is er dus sprake van doorverwijzing na drie achtereenvolgende E-scores op hoofdmeetmomenten en twee tussenliggende ondersteuningstrajecten.

  • Wanneer moet de school meten op hoofdmetingen?

    Twee keer per jaar doen scholen een hoofdmeting. In januari/februari en in mei/juni. In welke periode de eerste meting plaatsvindt, bepaalt de school. Hoofdmetingen zijn bedoeld om de ontwikkeling van het niveau van lezen en spellen van alle leerlingen in kaart te brengen.
    Bij zwakke lezers en spellers kan, volgend op een ondersteuningsperiode van 10 tot 12 weken, een individuele tussenmeting worden gedaan om het effect van extra ondersteuning te bepalen. Het effect wordt gerelateerd aan het voorafgaande hoofdmeetmoment. Tussenmetingen zijn optioneel en vinden afhankelijk van de periode waarin extra begeleiding wordt geboden plaats in oktober/november of april/mei.

  • Wat is het verschil tussen een hoofd- en een tussenmeting?

    Hoofdmetingen hebben altijd betrekking op een groep leerlingen op school of in een klas. Voor de hoofdmeetmomenten bestaan normscores. Het niveau dan wel de ontwikkeling van een leerling is daarmee te plaatsen ten opzichte van de (leeftijds)groep.
    Tussenmetingen zijn van toepassing op individuele leerlingen en kennen geen normscores. Dat maakt tussenmetingen niet bij voorbaat minder waardevol dan hoofdmetingen. In geval van individuele ondersteuning kan de school het effect daarvan meten aan de hand van de voortgang bij de betreffende leerling, door het vergelijken van de tussenscore met de voorgaande hoofdscore. Een tussenmeting kent veelal als doel om het effect van de geboden interventie vroegtijdig te meten en handelingsplannen bij te stellen.

  • Mag een zorgaanbieder ook een meting doen?

    Nee. De school is verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderwijsprotocol ‘Leesproblemen en Dyslexie’. Metingen mogen echter niet als onderdeel van de dyslexiezorg worden gedaan door zorgaanbieders. Bijvoorbeeld de derde meting. Deze metingen behoren niet tot de taken binnen het zorgprotocol ‘Dyslexie Diagnostiek & Behandeling 2.0’ en komen evenmin voor rekening van gemeenten.

  • Mag de school van de drie hoofdmeetmomenten afwijken?

    In de praktijk wordt soms ook doorverwijzingen na drie opeenvolgende meetmomenten, waarvan één tussenmeetmoment. In die gevallen wordt bij uitzondering afgeweken van de regel van drie hoofdmeetmomenten. Daar kunnen verschillende redenen voor bestaan. Bijvoorbeeld als er sprake is van leerlingen met een erfelijke aanleg voor dyslexie of als bij de eerste hoofdmeting al sprake is van een ernstige achterstand met sterke signalen van forse lees- en spellingsproblematiek.
    In dergelijke situaties kan worden besloten direct te starten van intensieve individuele ondersteuning omdat er redelijkerwijze geen reële verwachtingen zijn bij zorgniveau 1 en 2 binnen de school. Deze intensieve begeleiding moet in twee periodes van 10 tot 12 weken worden geboden. Tussen beide interventieperiodes moet een tussenmeting plaatsvinden. De periode tot het eerstvolgende hoofdmeetmoment is namelijk langer de periode van het eerste begeleidingstraject waarvan het effect gemeten moet worden. Door het in die gevallen ‘wachten’ tot het eerstvolgende hoofdmeetmoment zou (nog) meer achterstand oplopen kunnen worden door kinderen dan nodig, en kunnen scholen beredeneerd afwijken van de leidraad. De leidraad borgt deze werkwijze ook.

  • Moet een zorgaanbieder een schooldossier met drie meetmomenten, waarvan één tussenmeting, afwijzen?

    In de praktijk kan er sprake zijn van verbijzonderde omstandigheden. Het betreft hier bijvoorbeeld vervroegde aanmelding bij een zeer verontrustende lees- en spellingontwikkeling waarbij een forse terugval/stagnatie ten opzichte van het eigen verwachtte niveau zichtbaar is of als er sprake is van forse erfelijke belasting al dan niet gepaard met hoogbegaafdheid. Het is aan de zorgaanbieder om de onderbouwing vin het schooldossier te beoordelen.
    Zorgaanbieders hebben de (wettelijke) plicht om ‘verantwoorde hulp’ te bieden. Dat houdt ook in dat aanbieders kinderen de evident zorg nodig hebben, hen die zorg niet mogen onthouden. Die plicht geldt ook in geval school beredeneerd van de leidraad afwijkt. Aanbieders moeten uiteraard in de lijn van de leidraad kunnen motiveren en verantwoorden waarom zij op basis van de beredeneerde afwijking van de school kinderen toch toelaten tot de dyslexiezorg. Zorgaanbieders moeten dus zelf ook beredeneerd afwijken. In hun geval van het zorgprotocol ‘Dyslexie Diagnostiek & Behandeling 2.0’. De leidraad bevordert uniformering van de werkwijze in de keten maar kan niet in de verantwoordelijkheid treden die zorgaanbieders op grond van het zorgprotocol en geldende wetgeving hebben.

  • Moet een zorgaanbieder beschikken over hoofdmetingscores van de groep?

    De toetsscores van de individuele leerling geven de zorgaanbieder informatie over de leesprestaties ten opzichte van de normpopulatie, en dus ook ten opzichte van de groep waarin een leerling zit. Het toevoegen van geanonimiseerde gegevens van de groep aan het schooldossier van de individuele leerling heeft om die reden geen meerwaarde voor de taak die de zorgaanbieder uitvoert: het beoordelen van het vermoeden van ernstige enkelvoudige dyslexie en het eventueel vaststellen daarvan. Voor het uitwisselen van (persoons)gegevens gelden strikte (wettelijke) regels. Doelbinding is in dat kader onder meer belangrijk. De groepsgegevens zijn niet noodzakelijk voor het realiseren van het doel: het aanmelden van een kind en het beoordelen van zijn/haar schooldossier.
    Scholen kunnen uiteraard in het kader van monitoring van het aantal leerlingen met (vermoedelijke) dyslexie wel geanonimiseerde groepsgegevens aan zorgaanbieders verstrekken. Bijvoorbeeld in geval het aantal zeer zwakke lezers in een klas oververtegenwoordigd is. Er kunnen diverse redenen zijn voor een grotere zeer zwak scorende leerlingen. De zorgaanbieder kan in gesprek gaan met school indien er vragen en/of bijzonderheden geconstateerd worden om het aantal aanmeldingen te verlagen.

Kwaliteitseisen behandelaars

  • Welke aanvullende opleiding/cursus kan een hoofd- of medebehandelaar volgen om aan de criteria te voldoen?

    Geaccrediteerde instituten voor Master SEN opleidingen: opleidingen speciale onderwijszorg (60 ECTS)

    • Hogeschool Utrecht (Seminarium voor Orthopedagogiek)
    • Fontys Hogescholen
    • Hogeschool Windesheim

    Voorbeelden van cursussen/nascholing:

    Nascholing of cursussen op het gebied van dyslexie verzorgd door hogescholen, universiteiten of geaccrediteerde nascholingsinstellingen (verg. RINO / GITP-PAO).

    NB Scholing verzorgd door ONL of andere behandelinstituten of diensten (vb. FIK-2) betreffen niet officieel geaccrediteerde scholingstrajecten die weliswaar certificering opleveren van de instituten die deze cursussen verzorgen, maar die zonder de relevante dyslexieopleiding niet tot het medebehandelaarschap kunnen leiden. Deze professionalisering wordt door het NKD gezien als het voldoen aan een van de bekwaamheidseisen, namelijk deskundigheidsbevordering.
    Het NKD ondersteunt de ontwikkeling van een post masteropleiding dyslexiebehandelaar in de zorg. Dit betreft een opleiding specifiek op het gebied van dyslexiebehandeling in de dyslexiezorg. In deze opleiding wordt de state of the art expertise op het gebied van dyslexiebehandeling aangeboden in combinatie met een praktijktraject, waarin hoofdbehandelaars en medebehandelaars samen dyslexiebehandeltrajecten uitvoeren, daarover supervisie ontvangen en gezamenlijk kennis ontwikkelen en toepassen.

  • Waarom mag een hoofd- of medebehandelaar geen werkrelatie hebben met samenwerkingsverbanden of (school)besturen van scholen waar cliënten onderwijs volgen?

    Wat voor het NKD in dit verband van belang is, is dat u kunt aantonen dat u met betrekking tot de cliënten die u (mede)behandelt, NIET professioneel betrokken bent bij het onderwijstraject van deze cliënten. Dit is van belang, omdat zorggelden alleen aan de dyslexiebehandeling in de zorg besteed mogen worden. Uiteraard is het wel aanbevelenswaardig om als (mede)behandelaar af te stemmen met de school, evenals met de ouders/verzorgers en eventuele andere behandelaars van de cliënten.

  • Wat wordt verstaan onder ervaring in dyslexiezorg?

    Een hoofd- of medebehandelaar heeft voldoende ervaring als hij/zij:

    • minimaal 2 jaar in de zorg cliënten met dyslexie behandelt
    • minimaal 8 uur per week werkzaam is als dyslexiespecialist in de zorg
    • minimaal 20 casussen kan overleggen, jonger dan drie jaar
    • aantoonbaar deelneemt aan de kwaliteitsborging die de hoofdbehandelaar organiseert

    Als een medebehandelaar nog niet voldoende ervaring heeft maar wel aan de overige criteria voldoet, wordt hij/zij ingeschreven als medebehandelaar met een aspirantstatus. Van de hoofdbehandelaar wordt in dit geval extra supervisie verwacht.
    Zodra een medebehandelaar voldoet aan de bovenstaande eisen, kan hij/zij als volwaardig medebehandelaar worden geregistreerd.

  • Welke opleiding moet ik volgen om medebehandelaar dyslexie te mogen zijn?

    Medebehandelaars mogen kinderen met dyslexie behandelen onder verantwoordelijkheid van een academisch geschoolde hoofdbehandelaar (GZ-psycholoog, Kinder- en Jeugdpsycholoog of orthopedagoog-generalist.
    Een medebehandelaar is:

    1. Logopedist met een post-hbo-opleiding van de beroepsvereniging NVLF en registratie in het NVLF-dyslexieregister.
    2. Orthopedagoog: academisch geschoold in orthopedagogiek.
    3. Psycholoog: academisch geschoold in psychologie.

    Een opleiding als leraar basisonderwijs, al dan niet met een Master SEN of een RT-opleiding is te weinig specifiek en/of van onvoldoende niveau om te kwalificeren als medebehandelaar.

Dyslexieverklaringen

  • Ik ben mijn dyslexieverklaring kwijt. Hebben jullie een kopie?

    Nee, er is geen centraal register voor dyslexieverklaringen. U kunt een kopie opvragen bij degene die de dyslexieverklaring heeft afgegeven.

  • Hoe lang is een dyslexieverklaring geldig?

    Een dyslexieverklaring is levenslang geldig.
    Iedere onderwijsinstelling mag/moet zelf een dyslexiebeleid formuleren.
    Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de classificerende of onderkennende diagnose (de leerling heeft dyslexie) en de indicerende of handelingsgerichte diagnose (dit is de ondersteuning die deze leerling nodig heeft).
    Beleid van een onderwijsinstelling kan zijn: de onderkennende diagnose geldt levenslang, de handelingsgerichte diagnose voor een kortere periode, bijvoorbeeld vijf jaar. Indien gewenst kan samen met de leerling bekeken worden aan welke compensatie- en dispensatiemaatregelen nog behoefte is en welke daarvan een vast te stellen gunstig effect hebben. Van belang is dat leerlingen die terecht een dyslexieverklaring hebben ook adequate ondersteuning van het onderwijs krijgen.

     

  • Wie mogen een dyslexieverklaring afgeven?

    Een GZ-psycholoog (BIG-register), een Kinder- en Jeugdpsycholoog (register NIP) en een Orthopedagoog-generalist (register NVO).

    Zie hiervoor het praktijkenregister van het NKD.

  • Zijn dyslexieverklaringen uit het buitenland in Nederland geldig?

    In elk geval moet er een verslag van het meest recente psychodiagnostisch onderzoek als onderlegger aanwezig zijn. Verder is het afhankelijk van wie de verklaring heeft afgegeven en of de conclusie navolgbaar uit het verslag af te leiden is.

Dyslexie en intelligentie

  • Hoe ga je om met (hoog)begaafde leerlingen en het vermoeden van dyslexie?

    Begaafdheid is niet gecorreleerd met woorddecodeervaardigheid. Er is geen reden af te wijken van de geldende criteria. De redenering zou kunnen zijn, dat de score op D-niveau de woorddecodeervaardigheid mooier voorstelt dan die is. Dan is het noodzakelijk om aannemelijk te maken, dat er sprake is van een compensatiemechanisme (waarop gebaseerd? welk mechanisme? hoe werkt dat?) en op basis van bijvoorbeeld het lezen van pseudowoorden, op basale fonologische taken (bijvoorbeeld Spoonerism) en op spelling van klankzuivere, maar complexe woorden (met clusters van 3 of 4 medeklinkers) die de feitelijk veel geringere decodeervaardigheid aantonen, dan de toetsuitslagen suggereren.

  • Hoe ga je om met laagbegaafde leerlingen en het vermoeden van dyslexie?

    Bij een IQ van minder dan 90 wordt geadviseerd te starten met 10 tot 15 behandelingen, waarna evaluatie plaatsvindt of er vooruitgang wordt geboekt. Afhankelijk van de bevindingen kan het behandeltraject worden voortgezet of beëindigd.

    Bij een IQ van minder dan 70 is sprake van belemmerende comorbiditeit, waarbij de eerste diagnose mentale retardatie is. Er volgt dan geen behandeling voor dyslexie.

Dyslexie in het voortgezet onderwijs

Dyslexie bij volwassenen

Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling (PDD&B 2.0)

Back to top