Ga naar de inhoud
Als het over kwaliteit in dyslexiezorg gaat

NIEUWSBRIEF 41

Al vier decennia geboeid door dyslexie

Patty Gerretsen loopt al vele jaren rond in het dyslexieveld en bekleedde binnen het NKD uiteenlopende functies. Rond deze zomer neemt ze afscheid van het NKD. In deze nieuwsbrief blikken we met Patty terug én vooruit. 

Fundamenteel probleem

‘Tijdens mijn studie ging mijn sterkste interesse uit naar taalverwerking in de hersenen. Wat gebeurt er nou eigenlijk als een kind taal leert? Het was voor mij duidelijk dat er bij kinderen met dyslexie iets fundamenteels speelde, dat zich niet makkelijk laat oplossen. Het gaat niet om ‘dan moet je maar beter opletten’ of ‘dan moet je maar beter lesgeven’.
De wetenschappelijke aspecten van dyslexie zijn altijd belangrijk voor me geweest, maar ik heb ook jarenlang met veel plezier diagnostiek uitgevoerd. Eerst bij het IWAL, later bij het RID, waar ik in Maastricht de eerste nevenvestiging mocht opzetten.’

Zelfs een cliënt uit Luxemburg

‘In die tijd betaalden ouders zelf de behandeling. Soms moesten ze daar echt een financiële afweging voor maken: kiezen we dit jaar voor de dyslexiebehandeling van ons kind of voor vakantie? Binnen de praktijk waren wij ons zeer bewust van de enorme inzet die ouders dikwijls leverden. Er waren nog niet veel aanbieders van dyslexiezorg, dus kinderen kwamen soms van heinde en ver. Ik herinner me zelfs een cliënt uit Luxemburg…
Toen de ziektekostenverzekering de behandeling ging vergoeden, vonden we dat wel spannend. De vraag was natuurlijk of dat de behandeleffectiviteit zou beïnvloeden. Zouden mensen nog even gemotiveerd zijn om bijvoorbeeld hard te werken voor het huiswerk? Gelukkig hebben we hierin niet echt een verschil kunnen constateren.’

Gespecialiseerde ondersteuning

‘Vandaag de dag vinden we als samenleving dat bepaalde zaken heel makkelijk en dichtbij beschikbaar moeten zijn. Dat zie je ook terug in de dyslexiebehandeling. Er wordt verwacht dat die ook op school wordt aangeboden. Een vraag die hiermee verband houdt: moet je een kind sowieso wel uit de klas halen voor een dyslexiebehandeling? Zolang ik me kan herinneren, is daar discussie over. In principe is het natuurlijk heel jammer dat we kinderen niet in de klas kunnen helpen. Maar wie dat verwacht, doet geen recht aan de werkelijke problematiek en aan wat je van een leerkracht mag verwachten. De aandacht en de gespecialiseerde ondersteuning die een kind met dyslexie nodig heeft, kun je niet zomaar even in de klas realiseren. In de klas moet er zóveel geleerd worden. Het is belangrijk om te beseffen dat de investering die je buiten de klas doet ten goede kan komen aan álle vakken.’

Verschuiving in focus

‘In de ondersteuning op school zie ik een duidelijke slingerbeweging. Toen ik begon, hadden veel scholen een remedial teacher, die buiten de klas 1-op-1 met het kind werkte. Daarna verschoof de focus naar het versterken van de leerkracht, want dat komt ten goede aan meer kinderen. De rt’er verdween daarmee uit beeld. Na verloop van tijd ontstond het besef dat we daarmee misschien wel iets heel belangrijks hadden ‘weggegooid’: het 1-op-1 werken met kinderen.
Op dit moment zie ik een duidelijke ontwikkeling dat leerkrachten hulp en tools krijgen bij het vormgeven van de ondersteuningsniveaus 1 en 2 in hun klas. Dyslexiepraktijken spelen daar ook regelmatig een rol in, zij bieden hun gespecialiseerde kennis aan het onderwijs aan. Dat kan ernstiger problemen helpen voorkomen en draagt bij aan de groei van kennis op scholen. Het feit dat er op de (universitaire) pabo meer aandacht is voor goed lees- en spellingonderwijs en dyslexie draagt ook bij aan meer kennis.
Er zijn scholen die de ondersteuningsniveaus 1 en 2 bewonderenswaardig knap op orde hebben, maar andere krijgen het niet goed geregeld, bijvoorbeeld vanwege hun grootte, populatie of andere uitdagingen. Het zou mooi zijn dat daarin meer kruisbestuiving gaat plaatsvinden, waarbij scholen van elkaar kunnen leren.’

Meer gestructureerde aandacht voor psycho-educatie

‘Dyslexie kan veel impact hebben op het zelfbeeld en het zelfvertrouwen van het kind. Ik denk dat behandelaren en diagnostici daar altijd al wel aandacht voor hadden, maar nu gebeurt dat op een wat meer gestructureerde manier, bijvoorbeeld met een specifiek programma voor psycho-educatie. Dat komt ook voort uit de vraag van ouders en kinderen: zij willen, in hun eigen taal, begrijpen wat dyslexie is. De erkenning – je bent niet dom, maar bepaalde dingen zijn voor jou moeilijk – is heel belangrijk. Evenals het verhelderen waar het kind goed in is. Goede diagnostiek speelt hierin een waardevolle rol. Ook in de aandacht voor comorbiditeit zie ik een duidelijke verschuiving, mede door een wijziging in het behandelprotocol.’

Actieve rol in NKD

‘De wetenschappelijke en onderzoeksmatige aspecten van dyslexie zijn voor mij altijd belangrijk geweest. Als je diagnosticeert en een intensief behandeltraject ingaat, is het zaak dat je volgens de laatste wetenschappelijke inzichten werkt en de effectiviteit kunt aantonen. Het meetbaar maken van kwaliteit en effectiviteit is voor mij een grote drijfveer geweest om me actief in te zetten binnen het NKD. De laatste jaren was ik onder meer (vice)voorzitter van de Datacommissie en was ik nauw betrokken bij de ontwikkeling van de Nederlandse Databank Dyslexie (NDD). Ik ben enorm trots op alle gecertificeerde praktijken die het belang inzien van de NDD en zich inzetten om data aan te leveren. Ik denk dat de NDD bij iedereen echt leeft. Dankzij de NDD hebben praktijken mogelijkheden om zichzelf te vergelijken met de landelijke dyslexiezorg als geheel en krijgen zij aanknopingspunten om zaken te verbeteren.’

Trots op kennisdeling en ondersteuning

‘Ik vind ook dat we trots mogen zijn op het NKD. Het NKD heeft onder andere de functie om praktijken en zorgprofessionals te informeren, te ondersteunen, toegang te geven tot actuele kennis en ontwikkelingen. We reiken ‘gereedschap’ aan voor het werk, waarmee zorgprofessionals zich gesteund voelen. Hoe we praktijken tijdens de coronapandemie hebben ondersteund, vind ik hiervan een mooi voorbeeld.
Ik denk dat het NKD erin is geslaagd om een veilige plek te creëren voor de communicatie tussen praktijken. Ook al zijn praktijken misschien elkaars concurrenten, zo voelt het niet.’

Tijd om het stokje over te geven

‘Op dit moment leggen we de laatste hand aan de NDD-rapportage 2025. Daarna verlaat ik het NKD en is het voor anderen tijd om op hun eigen manier te werken aan thema’s die belangrijk zijn en om hun eigen stempel daarop te kunnen drukken. Uitdagingen zijn er genoeg. Bijvoorbeeld hoe je met minder geld nog steeds maatwerk kunt leveren voor het kind. En hoe je kinderen kunt blijven motiveren om in deze tijd van grote afleidingen het huiswerk te blijven doen dat nodig is. Een ding is zeker: op de achtergrond zal ik het met belangstelling blijven volgen!’

Back to top