Ga naar de inhoud
Als het over kwaliteit in dyslexiezorg gaat

NIEUWSBRIEF 40

Effectstudie kansrijke interventies afgerond

Scholen willen kunnen vertrouwen op de effectiviteit van de interventies die ze gebruiken. Maar zijn die interventies effectief? Binnen het programma ‘Effectmeting kansrijke interventies in het po en vo’ werd onder meer onderzoek gedaan naar Bliksembende, Flits! Tutorlezen, Klankkr8 en Letterster. Madelon van den Boer, lid van de Wetenschappelijke Adviesraad Dyslexie (WARD), legt uit wat we kunnen leren van deze effectstudies.

Bliksembende, Flits! Tutorlezen, Klankkr8 en Letterster zijn zogenoemde kansrijke interventies, die theoretisch goed onderbouwd zijn, maar waarvan het daadwerkelijke effect nog niet eerder in een (grootschalig) onderzoek onder de loep is genomen. Tot nu. Het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (voorheen NRO) bood ruimte om wél grootschalig effectonderzoek te doen. Honderden scholen en duizenden leerlingen in het hele land werkten eraan mee. ‘De scholen zijn heel enthousiast aan de slag gegaan met de interventies, die over het algemeen werden ingezet op ondersteuningsniveau 2 en/of 3’, zegt Madelon van den Boer, lid van de WARD.

Nuancering van dit effectonderzoek

De meeste interventies werden ingezet bij een deel van de leerlingen die achterbleven met lezen en/of spelling. De controlegroep kreeg de ondersteuning die de school voorheen ook al gaf. Dan hebben we het bijvoorbeeld over Ralfilezen of Connect Lezen: aanpakken die ook kansrijk of bewezen effectief zijn. Madelon: ‘We hebben dus te maken met een situatie waarin je niet puur effectonderzoek kunt doen. In principe wil je de onderzoeksgroep vergelijken met een controlegroep die geen ondersteuning of andere ondersteuning krijgt, maar in deze effectstudies is dat onmogelijk, want de controlegroep kreeg óók ondersteuning. Je kunt deze leerlingen uiteraard geen ondersteuning onthouden, maar dat is dus wel een belangrijke nuance bij de interpretatie van de onderzoeksresultaten. De vraag is of de onderzochte interventie beter werkt dan de andere vormen van ondersteuning die worden ingezet op de school.’

Nauwelijks positieve effecten

Globaal genomen kunnen we concluderen dat de leerlingen die met Bliksembende, Flits! Tutorlezen en Letterster werkten het niet beter of slechter deden dan de leerlingen in de controlegroepen. Klankkr8 is een programma voor alle kleuters, niet alleen voor kleuters met een achterstand of een risico daarop. Madelon: ‘In de studie naar dit programma is wel een klein positief effect gevonden. Dat was een andere situatie, want dit programma is ingezet in groep 2, waar normaal gesproken geen of weinig systematisch lesaanbod is. Dan is het makkelijker om de controlegroep te verslaan.’

Onvoldoende oefentijd

De vraag is hoe het komt dat de onderzoeksgroepen en de controlegroepen vergelijkbaar presteerden. Madelon wil daar wel een aantal zaken over zeggen. Om te beginnen ten aanzien van de oefentijd. ‘Het merendeel van de effectstudies laat zien dat het scholen niet lukt om gemiddeld meer dan twee keer per week te oefenen. Qua effectieve oefentijd komen ze niet boven de 20 à 30 minuten per week uit, terwijl een uur wenselijk is. Dat zagen we ook in een eerdere studie naar Bouw!; de nieuwe effectstudies naar Flits! Tutorlezen, Letterster en Klankkr8 laten hetzelfde beeld zien. Scholen stapten er met de beste bedoelingen in, deden echt hun best maar kregen het gewoon niet georganiseerd.’

De meeste effectstudies tonen een positieve correlatie tussen oefentijd en leerlingprestaties. Als kinderen iets meer oefenden met het programma, stonden ze er na een jaar iets beter voor. Hoewel de effecten gering waren, is het een hoopvolle indicatie voor de potentiële effectiviteit van de onderzochte programma’s.

Woorden én teksten oefenen

Ook bij Flits! Tutorlezen was er een positieve relatie tussen oefentijd en leesuitkomsten. Die relatie was echter zo zwak, dat je extreem hoge oefentijden nodig zou hebben om enige mate van vooruitgang te garanderen. ‘En zo gek is dat niet’, zegt Madelon. ‘Flits! is een vrij beperkt programma, waarbij de leerlingen uitsluitend oefenen met het lezen van losse woordjes. Maar leesvaardigheid gaat uiteindelijk óók over het lezen van teksten. Daarom schrijven de protocollen ook voor: oefen op woordniveau én tekstniveau, want dat zorgt voor het beste resultaat.’

Lastige timing van de effectstudies

Wat mogelijk ook een rol speelt bij het ontbreken van (overtuigende) effectiviteit: de scholen zijn nog onvoldoende in staat geweest om de interventies goed te implementeren. ‘Als ik bijvoorbeeld kijk naar eerdere studies naar Bouw!, dan zagen we eigenlijk pas vanaf het tweede of derde jaar van de implementatie effecten. In de vier effectstudies die nu zijn gedaan, is de effectiviteit van de interventies onderzocht in het jaar waarin ze werden geïntroduceerd. Scholen hebben dus niet echt de kans gekregen om het programma in de vingers te krijgen en te integreren in de schoolpraktijk. Dat is wel een belangrijke beperking van deze effectstudies.’

Basis versterken

Met de vier effectstudies kon dus niet worden vastgesteld dat de onderzochte interventies beter (of slechter) zijn dan de normale aanpak van scholen. Maar wat dus wél duidelijk is geworden: het lukt scholen niet om voldoende tijd te besteden aan ondersteuning op niveaus 2 en 3. ‘Misschien is het, gegeven de huidige omstandigheden in het onderwijs, ook niet helemaal eerlijk om scholen hierop af te rekenen. Het model van de verschillende ondersteuningsniveaus is heel mooi. Het is een eerlijke manier om leerproblemen op te sporen en aan te pakken. In de basis is het goed, maar scholen missen capaciteit om het goed uit te voeren. Zeker ondersteuningsniveau 3 is gemiddeld genomen niet goed op orde. Het is des te belangrijker dat scholen kijken hoe ze hun basisaanbod in de klas kunnen versterken en hoe ze de effectieve leertijd kunnen verhogen. Onderzoek laat zien dat veel scholen het aantal richturen voor leesonderwijs helemaal niet halen. Van een stevige basis profiteren alle kinderen, dus dat is hoe dan ook een goede keus. Als het lukt om het basisaanbod te verstevigen, hebben hopelijk minder kinderen ondersteuning op niveau 3 nodig.’

Meer lezen

Back to top